Vijfde bijeenkomst

Dooyeweerd wil vooral een reactie geven op de filosofieën van die tijd en op wat daarin fout is: vooral het neo-kantianisme, waarin de subject-objectrelatie een belangrijke rol speelt, moet het ontgelden.

Kort door de bocht komt de filosofie erop neer dat het subject staat voor het bewuste bewustzijn van de mens, zijn “ikheid”; daar tegenover staan objecten waar het bewustzijn notie van neemt en zo kennis opdoet. Het subject kent, het object wordt gekend.

rationalisme: aangeboren ideeën staan aan de basis van al het kennen (Descartes: twijfel)
empirisme: je weet niets anders dan wat door de zintuigen/waarneming binnenkomt

Kant wilde een synthese maken tussen het rationalisme en het empirisme. Hij zegt, dat je alleen die dingen kan kennen die je waarneemt, maar de wijze waarop komt uit het bewustzijn.
Kennen is objecten die zich richten naar het bewustzijn (zoals Kant zegt een Copernicaanse wending tegenover tot dan toe)

Het bewustzijn heeft de zintuiglijke intuïties van ruimte en tijd: ruimte en tijd bestaan niet als zodanig, maar wij plaatsen alles in die context; de 12 categorieën van het verstand (Kwantiteit (eenheid, veelheid, alheid), kwaliteit (realiteit, negatie, begrenzing), relatie (inherentie, causaliteit, gemeenschappelijkheid)) vormen de verbinding tussen waarnemingen: bij “Deze roos is rood” worden roodheid en roosheid met elkaar verbonden.

Zoals vloeibaar metaal in een vorm gegoten wordt, zodat op die wijze het rinkelende slijk der aarde gemaakt wordt, zo wordt de waarneming in de mal van het bewustzijn gegoten, zo vormend de werkelijkheid.

Dooyeweerd ageert hiertegen: volgens hem wordt het logisch (analytisch) aspect van de menselijke denkfunctie geplaatst in een gegenstandsrelatie met een van de niet-logische aspecten van de werkelijkheid; de logische denkfunctie richt zich intentioneel (Gegenstand betekent zowel tegenoverstaand als object).

Hij heeft een aversie tegen de subject-objectrelatie van Kant: een ding is niet zonder meer subject of object maar kan allebei zijn.

Subject taalkundig gezien betekent onderwerp: ik loop, ik ben actief;
object betekent lijdend voorwerp: ik sla jou de hersens in, terwijl jou het “onderwerp” van het de hersens inslaan is.
Dooyeweerd: het subject is niet het bewustzijn, maar is onderworpen aan functioneringswetmatigheden;
het object is ook onderworpen aan die functioneringswetmatigheden maar niet in eigen aktiviteit: die raakt betrokken
Ieder ding functioneert in alle aspecten, maar op een andere wijze.

Een bloemstuk is    subject object
  in het arithmetische  
  in het ruimtelijke, het claimt
ruimte
 
  in het fysische, want het heeft   
gewicht, je kan ze uit elkaar   
trekken, ze waaien in de wind
 
  in het biotische, want het leeft  
  NIET in het psychische, want   
het kan niet voelen,   
waarnemen
in het psychische, want het kan   
wel waargenomen worden.
    in het juridische, want het is   
eigendom van het CIV (heeft   
geen eigendom, maar is het   
wel)

Dooyeweerd plaatst het wetenschappelijk onderzoek niet op een voetstuk als in de subject-objectrelatie. De mens is als subject integraal onderdeel van de werkelijkheid die hij waarneemt, hij staat er dus niet boven. De mens is het enige ding dat subject is in alle aspecten; de enige echte objectsfunctie van de mens zou zijn als hij als slaaf verhandeld wordt (dit wordt dan ook als onmenselijk gezien).

De werkelijkheid bestaat dus uit wetten die gelden voor en dingen waarvoor de wetten gelden: niet één van de beide, maar allebei zitten in de werkelijkheid. Veel is een ding: een tafel is een ding, maar liefde is dat ook. Dingen kun je kennen voor zover er wetten voor gelden. Het heeft zijn eigen individualiteit met zijn eigen individualiteitsstructuren.

plaatje

Wat maakt een steen tot een steen, oftewel wat is zijn bestemmingsfunctie? Hij ligt anorganisch te zijn: het fysische aspect is dus zijn bestemmingsfunctie.
De bestemmingsfunctie van een plant is het biotische: het levendzijn maakt een plant tot plant.

Als van een steen een beeld gemaakt wordt wordt de bestemmingsfunctie anders, namelijk het esthetische (een objectsfunctie!); toch blijft het een steen: er treedt enkaptische vervlechting van bestemmingsfuncties op.

De funderingsfunctie van een ding is gelijk aan zijn kwalificerende functie als hij niet-gemaakt is, en het historische als dit wel het geval is. De bossen in Nederland zijn historisch-cultureel bepaald.

Van een DVD-speler zou Dooyeweerd zeggen dat hij sociaal gekwalificeerd is: je kijkt samen naar een DVD (op zo'n manier wordt het a-sociaal, want niemand spreekt dan met elkaar). Dit is niet technisch gekwalificeerd: die term gebruikt Van Riessen voor dingen die bijdragen aan de vorming van iets (halffabrikaten, freesapparaten).

Alle gebruiksvoorwerpen zijn volgens Dooyeweerd sociaal gekwalificeerd: een eetbord, mes en vork, verkeerspleinen, een wielerbond, auto's...

Er is een duidelijk verschil tussen enkaptisch vervlochten en opgaan in de bestemmingsfunctie van het geheel waar iets deel van uitmaakt. Van Riessen voegt hier nog aan toe dat je een neutraliseringsfunctie in de techniek hebt: een moertje wordt enkaptisch vervlochten met het apparaat waar het in zit, maar pas op het moment dat dat apparaat in elkaar gezet wordt; van de moertjes bij de Gamma weet je niet of ze in de soep, in een pan of in een tuimelraam terecht komen. Moertjes worden hier ook op gemaakt.

Bij LEGO zie je een omgekeerde ontwikkeling: alle onderdelen worden steeds specifieker voor ëën bepaald ding: kijk naar een kasteel van LEGO: je kan er weinig anders van maken dan een kasteel.

De toepassing van de leer van de individualiteitsstructuren is bij Dooyeweerd vooral de maatschappij.

Back


Tekst en inhoud door Jan-Willem Dijkshoorn
Layout door Theo van Klaveren
De auteurs zijn niet verantwoordelijk voor de inhoud van deze pagina's.
Commentaar over deze pagina's: E-mail naar Jan-Willem.