bijeenkomst

Reformatorische wijsbegeerte is een transcendentale filosofie: zij leert te kijken naar de achtergrond van en de manier van het kijken naar de werkelijkheid (die bestaat en door God geschapen is). Alles wat we over de werkelijkheid zeggen is een vertaling van de zintuiglijke waarnemingen.

Een voorbeeld van hoe dit tot begripsverschillen leidt, gaf dhr. Hoogland:

"Een vriend van mij, wiens zoontje kanker heeft, kreeg van de dokter te horen dat er op de scan nog 'residuen van kanker' te zien waren: hij vatte dat negatief op (het zat er nog), terwijl zijn vrouw het positief opvatte (enkel nog residuen, de kanker is daar weg)."

Het is een anti-realistische wijsbegeerte: het is meer kijken naar de manier van kijken dan kijken zelf. Van Woudenberg ageert hiertegen (Hoogland en hij hebben hier felle discussies over gehad): Van Woudenberg vindt dat je gewoon moet kijken. "Maar Jan, ís er kwaad in de wereld?" tegenover "Dat hangt ervan af waar je het over hebt, René." Het is de klassieke tegenstelling tussen Hume, die zegt dat je niet kan weten of iets wat je zegt over de werkelijkheid ook daadwerkelijk de werkelijkheid beschrijft, en Reid, die zegt "Wat een onzin! Je ziet wat je ziet en dat ís de werkelijkheid!"

Volgens Hoogland (and I cannot do anything else but agree) zit er wel degelijk een laag achter de werkelijkheid, namelijk je eigen interpretatie, die gebaseerd is op wat je al weet en kent.

Een voorbeeld waarbij meer komt kijken dan zien wat je ziet:
Kijk naar de beamer die op tafel stond: als je niet weet wat het is, dan kun je door het feit dat er een lens opzit en dat die lens op een wit vlak gericht is zeggen dat het een soort van dia-projector is, gesteld dat je weet wat dat is; zo niet, dan kun je nog zeggen dat het een ingewikkeld soort lamp is.

Men heeft eens een man uit het oerwoud meegenomen naar Singapore: die man was z’n leven lang het woud niet uitgeweest en had nog nooit een auto gezien. Nadat hij (onder begeleiding en enige instructie vooraf, denk en hoop ik) daar een dag rondgelopen had, vroeg men wat hij gezien had: hij had niets anders gezien dan een man die wel 1000 bananen in 1 keer kon vervoeren, omdat hij een soort van kar had...
Natuurlijk had de man wel meer gezien, maar het enige dat indruk kon maken was iets waar hij net iets meer van begreep, namelijk het vervoeren van bananen.

Een wetenschapper die metalen onderzoekt, zegt "Fe heeft die weerstand, Ag die". Nee, zegt de filosoof, hij zegt niets over het metaal zelf, maar hij brengt een structuur aan in de werkelijkheid: het is het benoemen van een bepaalde waarneming van de wetenschapper.

In veel culturen ben je ook niet ziek als je door de wetenschap aangetoonde kanker hebt maar je niet ziek voelt: al is het op de scan te zien, toch ben je niet ziek. Omgekeerd geeft dit fenomeen problemen bij ME, een vermoeidheidsziekte die niet aan het lichaam aan te tonen is, maar wel degelijk gevoeld wordt door de lijders.

Mensen vragen Latour weleens: "Bestonden infectieziekten al voordat Pasteur ze uitgevonden heeft of DNA voordat het aangetoond is?". Latour antwoordt dan met: "Het is een respectabel geloof, dat dit zo is.". Wat hij bedoelt is dat een bundel waarnemingen een label opgeplakt krijgen, maar dat het onzinnig is om te vragen of het dan bestaat.

Om terug te komen op dat "Is er kwaad in de wereld" van Van Woudenberg: de reformatorische wijsbegeerte gaat uit van een wetsorde: die wetten zí&jacute;n er niet, ze gelden. Wetten bestaan anders dan stenen. Hoe bedoel je dus de vraag? Is kwaadaardig delen van cellen kwaad? Het verouderen is pas van na de zondeval dus kwaad?

God heeft de wereld geschapen in subjecten en wetten gegeven voor die subjecten. De wetszijde is dus óók schepping. Er moet dus ook een grens getrokken worden naar wat je zinvol kan vragen: je kan wel vragen wat de wetten inhouden, maar niet waarom ze dat inhouden: dan probeer je God te begrijpen. "Waarom is de lucht blauw en het gras groen? Zou het niet leuker zijn als de lucht groen en het gras blauw was?" is dus per definitie een on-zinvolle vraag: je probeert dan met het verstand de fundamenten van de werkelijkheid te begrijpen, het metaphysische te grijpen. Volgens de reformatorische wijsbegeerte kan dit niet en is dit een overvragen van de geschapen rede.

(Hierna ontspon zich een discussie over het gezag van de bijbel, waaruit kwam dat het gezag van de bijbel niet 'objectief' te bepalen is: je moet geloven om dat gezag te erkennen. De bijbel heeft voor Hoogland en voor mij gezag; we geloven dát de bijbel gezag heeft, niet omdát de bijbel gezag heeft.)

Volgende bijeenkomst: donderdag 7 februari 2002 om 14:00h
Lezen: Hfdst. III van "Gelovend denken, Inleiding tot een christelijke filosofie" door René van Woudenberg (ISBN 90-6064-785-8 (Buijten & Schipperheijn); ISBN 90-242-6927-X (Kok))

Back


Tekst en inhoud door Jan-Willem Dijkshoorn
Layout door Theo van Klaveren
De auteurs zijn niet verantwoordelijk voor de inhoud van deze pagina's.
Commentaar over deze pagina's: E-mail naar Jan-Willem.