Een volkomen vreemd gevoel

Het begin van Faedo, een boek over de onsterfelijkheid van de ziel, genoemd naar de verteller, een leerling van Socrates, die in Flius in het noordoosten van de Peleponnesus (misschien op weg naar zijn geboortestad Elis in het noordwesten) Socrates' sterfdag beschrijft aan Echecrates en zijn kennissenkring.
Theseus is een mythische nationaal-Atheense held, die ooit zeven jongens en zeven meisjes redde van de Cretenzische Minotaurus, aan wie zij als offer waren gestuurd.

`Was je zelf bij Socrates, Faedo, die dag dat hij in de gevangenis het gif dronk of heb je het van iemand anders gehoord?'
`Ik was er zelf bij, Echecrates.'
`Wat was het dan wat hij voor zijn dood zei? En hoe was zijn einde? Dat zou ik zo graag horen. Uit Flius gaat tegenwoordig bijna niemand naar Athene en het is ook al een tijd geleden dat een buitenlander van Athene is gekomen die in staat was ons daarover precieze inlichtingen te geven, behalve dan dat hij gestorven is door het drinken van gif. Verder wist men niets te vertellen.'
`Dus jullie hebben ook niet gehoord hoe het proces is verlopen?'
`Jawel, dat heeft iemand ons verteld. We waren ook verbaasd dat hij kennelijk pas zoveel later is gestorven. Hoe kwam dat eigenlijk, Faedo?'
`Dat was toeval, Echecrates. Het kwam zo uit dat de dag voor het proces de achtersteven was bekranst van het schip dat de Atheners naar Delos sturen.'
`Wat is dat dan?'
`Dat is het schip waarop volgens de Atheners Theseus eens die 'tweemaal zeven' kinderen naar Kreta heeft meegenomen en samen met hen ook weer behouden terugkwamen. Het verhaal wil dat zij Apollo hadden beloofd om ieder jaar een gezantschap naar Delos te sturen, als die kinderen het er levend afbrachten. Sindsdien bewijzen ze de god jaarlijks die eer, ook nu nog. Nu is het hun gewoonte om in de tijd dat het gezantschap onderweg is het land zuiver te houden en geen doodstraffen te voltrekken voordat het schip heen en weer naar Delos is geweest. Daar gaat soms nogal wat tijd overheen, wanneer het zo uitkomt dat het door de wind wordt opgehouden. De missie begint met de bekransing van de achtersteven van het schip door de priester van Apollo. En dat was dus net gebeurd, zoals ik al zei, op de dag voor het proces. Daarom duurde het zo lang dat Socrates in de gevangenis zat tussen het proces en zijn dood.'
`En hoe ging het bij zijn dood zelf, Faedo? Wat werd er gezegd en gedaan en welke kennissen waren bij hem? Of lieten de autoriteiten niemand toe en stierf hij alleen, zonder vrienden?'
`O nee, er waren mensen bij, en nogal veel ook.'
`Neem eens de moeite ons dat allemaal precies te beschrijven, als je op het moment niets anders te doen hebt.'
`O, ik heb tijd genoeg. Ik zal proberen het jullie te vertellen. Aan Socrates terugdenken, of ik nu zelf over hem vertel of van iemand anders iets hoor, is altijd het liefste wat ik doe.'
`Hetzelfde geldt ongetwijfeld voor je toehoorders, Faedo. Kom, probeer zo precies als je kunt alles weer te geven.'
`Nu, wat mij betreft, ik voelde me heel vreemd, toen ik erbij was. Aan de ene kant had ik geen medelijden, hoewel ik toch een vriend zag sterven. De man maakte op mij de indruk gelukkig te zijn, Echecrates, zowel door zijn manier van doen als door zijn woorden, zo vrij van angst en groots was zijn einde. Het kwam mij voor dat zelfs nu hij naar de andere wereld ging, dat niet zonder goddelijke instemming gebeurde en dt als het iemand daar na zijn aankomst goed zou gaan, hij dat wel was. Daarom voelde ik dus eigenlijk geen medelijden, zoals je verwachten zou bij een toestand van rouw, maar aan de andere kant ook niet de gebruikelijke vreugde omdat we daar met filosofische vragen bezig waren - want daarover gingen de gesprekken. Een volkomen vreemd gevoel kwam over me, een ongewone mengeling van vreugde en tegelijk verdriet, wanneer ik bedacht dat hij zo dadelijk zou moeten sterven. Zo waren we er allemaal ongeveer aan toe, het ene moment lachend en dan weer huilend, één van ons zelfs heel erg, Apollodorus, je kent hem wel en zijn manier van doen.'
`Inderdaad.'
`Nu, zo ging het met hem helemaal en zelf was ik ook in de war, net als de anderen.'
`Wie waren er toen eigenlijk bij, Faedo?'
`Uit Athene was er dus die Apollodorus, en Critoboulos met zijn vader en dan nog Hermogenes, Epigenes, Aeschines en Antisthenes. Verder waren ook Ctesippus en Menexenus er en nog een paar andere Atheners. Plato was geloof ik ziek.'
`En waren er nog buitenlanders bij?'
`Ja, Simmias uit Thebe, Cebes en Faedondes, en uit Megara Euclides en Terpion.'
`En Aristippus en Cleombrotus, waren die er?'
`Die niet, nee, er werd gezegd dat ze op Aegina waren.'
`Was er verder nog iemand?'
`Nee, dit was het wel ongeveer, geloof ik.'
`En? Waarover gingen de gesprekken, zei je?'
`Ik zal proberen je alles van het begin af te vertellen. We waren de voorafgaande dagen al steeds gewend met een groep mensen Socrates op te zoeken. 's Ochtends vroeg verzamelden we ons dan bij de rechtbank waar het proces was gevoerd. Dat was dichtbij de gevangenis. We wachten telkens tot de gevangenis openging en praatten wat met elkaar, want er werd niet vroeg opengedaan. Wanneer het dan zover was, gingen we bij Socrates naar binnen en meestal brachten we de hele dag met hem door.
Zo waren we toen ook bij elkaar gekomen, nog vroeger, want de vorige dag hadden we gehoord toen we 's avonds uit de gevangenis kwamen, dat het schip uit Delos was aangekomen. Daarom hadden we met elkaar afgesproken dat we zo vroeg mogelijk op de gebruikelijke plaats zouden komen.
Toen we daar stonden, kwam de portier die altijd opendeed naar buiten. Hij vroeg ons te wachten en niet naar binnen te gaan voordat hij het zeggen. Want de gevangenisdirectie is bezig Socrates los te maken, zei hij, en hem aan te kondigen dat hij vandaag moet sterven.
Nu, we hoefden niet lang te wachten totdat hij kwam en zei dat we naar binnen konden gaan. We gingen dus naar binnen en troffen daar Socrates, die net van zijn boeien was ontdaan, en Xanthippe - je kent haar wel - die met zijn zoontje naast hem zat. Toen zij ons zag, liet Xanthippe zich helemaal gaan en begon het soort dingen te zeggen dat vrouwen altijd zeggen: `O, Socrates, dit is de laatste keer dat je met je vrienden zult praten.' Socrates zei met een blik op Crito: `Crito, laat iemand haar naar huis brengen.'
Schreeuwend en jammerend werd zij meegenomen door een paar van Crito's mensen.
Socrates ging overeind zitten op het bed, trok een been op en begon daarover met zijn hand te wrijven en al wrijvend zei hij: `Wat is het toch een merkwaardig ding, wat de mensen genot noemen. Het staat in zo'n vreemde verhouding tot wat het tegenovergestelde lijkt: pijn. Ze komen nooit allebei tegelijk in een mens voor, maar als je het ene nastreeft en bemachtigt, krijg je eigenlijk noodgedwongen steeds ook het andere, net alsof het twee wezens zijn die aan één hoofd vastzitten. Ik denk,' zei hij, `dat Aesopus, als hij zich dat had gerealiseerd, een verhaal zou hebben geschreven waarin god die twee tijdens een oorlog wilde verzoenen en toen dat niet lukte hun hoofden aan elkaar vastmaakte, zodat als de één verschijnt de ander automatisch volgt. Zo lijkt het bij mijzelf ook te gaan. Door mijn boeien was eerst in mijn been de pijn, maar nu lijkt het genot erop te volgen.'
Cebes reageerde: `Verdraaid, ja, Socrates, goed dat u me eraan herinnert. Over die gedichten die u gemaakt hebt, waarbij u de verhalen van Aesopus en de Apollohymne op muziek zette, hebben allerlei mensen, pas nog Euenus, mij gevraagd met welke bedoeling u dat eigenlijk hebt gedaan, sinds u hier gekomen bent, terwijl u vroeger toch nooit iets hebt geschreven. Als het u dus interesseert dat ik Euenus een antwoord kan geven wanneer hij me er opnieuw naar vraagt - wat hij zeker zal doen - vertelt u dan eens wat ik moet zeggen.'
`Nu, zeg hem de waarheid, Cebes,' zei hij, `dat ik die dingen niet heb geschreven om met hem of met zijn gedichten te concurreren - ik was me wel bewust dat dat niet makkelijk is - maar om de betekenis van bepaalde dromen te achterhalen en mezelf van een verplichting te kwijten voor het geval de goden me soms ermee opdroegen dat soort muziek te maken. Ze gingen namelijk ongeveer zo. Keer op keer kreeg ik in de loop van mijn leven dezelfde droom die in steeds andere vormen hetzelfde zei: Socrates, maak muziek en leg u daarop toe.
Tot dusver was ik er altijd vanuit gegaan dat zo'n droom mij aanzette tot wat ik al aan het doen was en me daarbij aanmoedigde. Dat zoals hardlopers worden aangemoedigd door het publiek, de droom mij aanmoedigde door te gaan met wat ik deed: muziek maken, want ik zag de filosofie als de belangrijkste vorm van muziek.
Maar nu, na afloop van het proces, toen het festival van de god verhinderde dat ik werd terechtgesteld, leek het, voor het geval de droom mij misschien opdroeg die alledaagse muziek te maken, dat ik niet ongehoorzaam moest zijn, want dat het veiliger was niet te vertrekken voordat ik me van mijn taak had gekweten en op bevel van de droom gedichten had gecomponeerd.
Dat deed ik dus het eerst voor de god aan wie het festival van het moment was gewijd. En ná de god, omdat ik besefte dat een dichter, wil hij een dichter zijn, een gefantaseerd verhaal moet schrijven en niet een betoog en omdat ikzelf te weinig fantasie had, heb ik dus gedichten gemaakt van verhalen die ik bij de hand had en kende, die van Aesopus, en de eerste die ik tegenkwam op muziek gezet.

Vertel dat dus maar aan Euenus, Cebes, en doe hem de groeten en zeg hem dat als hij verstandig is hij me zo snel mogelijk volgt. Ik vertrek kennelijk vandaag. Dat willen de Atheners.'

Back
Home


Tekst en inhoud door Jan-Willem Dijkshoorn
Layout door Theo van Klaveren
De auteurs zijn niet verantwoordelijk voor de inhoud van deze pagina's.
Commentaar over deze pagina's: E-mail naar Jan-Willem.