`Zelf denken betekent de hoogste toetssteen van de waarheid in zichzelf (dat is in zijn eigen rede) zoeken; en de grondregel, steeds zelf te denken, is de Verlichting.'
Dit zelf denken, dat het uitvloeisel van rationalisme en Verlichting is, definieert de filosofie van Immanuel Kant, die zichzelf uitdrukkelijk als zelfkritiek begrijpt.
Kritiek als vrije openbare toetsing van alles wat gedacht is, van al wat denkbaar en ervaarbaar is. Daarbij is zij ook steeds zelfkritiek, doordat zij de weg naar kennis onafgebroken in de kritiek betrekt. Tegelijk vat Kant zijn filosofie niet alleen als kritiek, maar ook als praktijk op, bedoelt daarmee echter een andere praktijk dan die van de Franse Verlichting die tot de opstand van het volk geleid had. `Filosofie is de leer van de eindbestemming van de menselijke rede, die slechts een enkele kan zijn, waaraan alle doelen achtergesteld of ondergeschikt moeten zijn, en de volmaakte filosoof (een ideaal) is hij die de eis in zichzelf vervult.
`Het is de praktijk van de menselijke rede zelf, omdat zij de wil van de denkende bepaalt.
Kant heeft met zijn in 1789 uitgekomen `Kritiek van de zuivere rede' de zekerheid van de mens, dat de rede tot absolute kennis in staat is' vernietigd. Kants filosofie bakent de grenzen van de menselijke kennis af.
In zijn `redekritiek' onderzoekt Kant grenzen en geldigheid van kennis. Zo schrijft hij in het voorwoord bij de `Kritiek...': `Tot op heden nam men aan dat al onze kennis zich naar de voorwerpen moest richten.' Nu stelt hij echter de eis: `De voorwerpen moeten zich naar onze kennis richten.' Anders gezegd: de menselijke rede schept haar voorwerpen zelf. Nauwkeuriger gezegd: de rede heeft niet zozeer van doen met voorwerpen, maar onze kenwijze van voorwerpen.
Deze kritiek duidt Kant aan als de Copernicaanse wending in de filosofie, een wending die een soortgelijke betekenis heeft als de ontdekking van Copernicus dat de aarde niet het middelpunt van de kosmos is de `Kritiek...' geeft antwoord op de eerste van drie fundamentele vragen van de mensheid die de filosofie volgens Kant moet stellen: Wat kan ik weten? Wat moet ik doen? Wat mag ik hopen? De eerste vraag betreft dus de voorwaarden van de mogelijkheid van onze kennis in het algemeen.
`Dat al onze kennis met ervaring begint, daaraan bestaat geen enkele twijfel.' Zo verwarmt de zon de steen. Wij zien de zon en de steen, voelen de warmte. Om echter over het verband iets te weten, moeten wij nadenken. Bij de waarneming door de zintuigen moet het verstand komen. Waargenomen wordt het afzonderlijke, algemeenheid vooronderstelt denken. Oordelen moeten toegevoegd worden, zintuiglijke waarnemingen moeten op begrip worden gebracht. Er bestaan twee soorten uitspraken en oordelen. Aan de ene kant die welke slechts door de onmiddellijke zintuiglijke ervaring verkregen worden (de zon verwarmt). Dit zijn uitspraken a posteriori (achteraf). Ervaringsoordelen zijn synthetische (samengestelde) oordelen a posteriori. Zij hebben echter het nadeel dat zij wat hun waarheidsgehalte betreft, niet absoluut geldig zijn.
Aan de andere kant bestaan er uitspraken die alleen door een analyse verkregen worden, bijvoorbeeld: `De bol is rond.' In deze uitspraak bevat het subject (de bol) al van meet af aan een bepaalde uitspraak, namelijk `rond'. Dit zijn analytische oordelen a priori (van tevoren). Deze oordelen bezitten hun rechtvaardiging al in het begrip. Zij kloppen van tevoren, maar leiden niet tot nieuwe kennis.
De centrale vraag wat betreft de kennis is nu voor Kant: Hoe zijn synthetische oordelen a priori mogelijk? want alleen door deze oordelen is er een meer aan kennis, alleen zij verrijken onze kennis.
Kant stelt vast dat zulke oordelen in de wiskunde bestaan (de rechte lijn is de kortste verbinding tussen twee punten), in de natuurwetenschap (de hoeveelheid materie in de wereld blijft onveranderd), maar ook in de metafysica (de wereld moet een begin hebben). Noodzakelijk, algemeen geldig want ook voor de ervaring toegankelijk, zijn beide eerste oordelen, terwijl aan dat van de metafysica een mogelijke bevestiging door ervaring (empirische kennis) ontzegd is en het zich zo aan ons kenvermogen onttrekt.
Alle oordelen die echter van empirische kennis afzien, kunnen niets anders dan een schijn waarnemen, maar niet de waarheid zelf. In het synthetische oordeel worden de vormen van de zintuiglijkheid en het verstand met elkaar verbonden. deze verbinding van gewaarwordingen en aanschouwingen vindt plaats in ruimte en tijd, die de enige subjectieve raamvoorwaarden (`aanschouwingsvormen') van de menselijke zintuiglijkheid vormen. Ruimte en tijd zijn `een vorm van zintuiglijkheid, die in mijn subject aan alle werkelijke indrukken voorafgaat, opdat ik door de voorwerpen wordt aangedaan. `Ruimte en tijd bestaan dus a priori, dat wil zeggen: `zij liggen in de geest gereed' en gaan aan alle ervaring vooraf. Door deze aandoening ontstaat de aanschouwing van iets. Maar de aanschouwingen zijn om zo te zeggen slechts de grondstof van de kennis. Het is het verstand dat in zijn fundamentele houding van denken deze aanschouwingen ordent en verbindt, naar het begrip ervan streeft, want `aanschouwingen zonder begrippen zijn blind.' Het samenvoegen van aanschouwingen en begrip zijn apriorische denkvormen van de rede, die Kant categorieën noemt. Categorieën zijn subjectieve vormen van het verstand, die de mogelijkheden van ervaring gehad hebben. Zij zijn nodig voor de verwerkelijking van de aanschouwing, zonder zelf uit de ervaring te moeten stammen, om te kunnen oordelen. Hun werkzaamheid bestaat erin het veelsoortige van de aanschouwingen tot eenheid, tot samenhang te brengen (synthese). In elk oordeel bevinden zich dus twee lagen, een die uit waarneming stamt, en een die afkomstig is van het denken.
De vraag of synthetische oordelen mogelijk zijn, beantwoord Kant in zoverre met ja, als de aanschouwingen in ruimte en tijd a priori zijn alsook de denkvormen van de rede, die uiteindelijk tot de synthese leiden. Wat is echter de laatste oorzaak van deze mogelijke eenheid? Volgens kant bestaat deze hierin dat de mens een `Ik' heeft. Alleen dit ik kan de waarneming op een voorwerp betrekken. deze identiteit van het Ik is de hoogste instantie van de kritische kenfilosofie van kant.
Omdat elke kennis uit de aanschouwing moet voortkomen, kan de mens over God, ziel en wereld geen uitspraken doen en niet zeggen of zij nu bestaan of niet. Deze noumena (gedachte dingen, `Ding an sich', ding op zich) bestaan slechts in de idee, voor de kennis zijn zij een niets. Zij zijn zuivere verstandsbegrippen, die door ons uitsluitend als `trancedentale schijn' worden aangetroffen.
De vraag: `Wat moet ik doen?' beantwoord Kant voornamelijk in zijn werk `Kritiek van de praktische rede'. Omdat de gehele filosofie leer van de eindbestemming van de menselijke rede is , bepaalt ook de praktijk van de rede de ethiek van Kant.
Zelfdenken, de rede volgen, de aanleg in zichzelf tot persoon door haar ontwikkelen vormen de grondslagen van de ethiek. Daaruit ontspringt de wil. `De autonomie van de wil is het enige beginsel van alle zedelijke wetten en de daarmee overeenkomstige plichten.' De autonome wil is zelfwetgeving van de praktische rede. Door haar is de wil goed. Kant had al in de `Grondslag voor de metafysica van de zeden (1785) vastgesteld: `Er is bovenal niets in de wereld wat zonder voorbehoud voor goed zou kunnen worden gehouden, dan alleen een goede wil.' Dat betekent dus dat het waardebegrip in de mens zelf ligt, in zijn wil. daarin ligt een behoren, dat hij door middel van de rede waarneemt. Dit fundamentele behoren, dat zich tot alle mensen uitstrekt, noemt Kant de categorisch imperatief. Deze luidt: `Handel zo, dat de stelregel (maxime) van uw wil steeds tegelijk als beginsel van een algemene wetgeving zou kunnen gelden.'
Hoe de stelregel van de afzonderlijke mens ook mag luiden, zij moet dus aan de eis voldoen zonder meer tot algemene wet verheven te kunnen worden. Richtsnoer daarvoor is de praktische rede, die in de mens voorafgaand aan alle ervaring a priori is verankerd. Zij is dus de wetgever van de mens, die door zijn willen persoonlijkheid is geworden, autonoom is. `De persoonlijkheid is de vrijheid van het mechanisme van de gehele natuur.' Omdat persoonlijkheid echter willen vooronderstelt, volgt daaruit dat vrijheid steeds gewild moet worden. Hier ligt ook het begin van Kants laatste vraag `wat mag ik hopen?'
`Gelukkig te zijn is noodzakelijk het verlangen van elk redelijk, maar eindig wezen, en dus een onvermijdelijke grond van de bepaling van zijn vermogen tot begeren.' `Maar,' zo voegt Kant hieraan toe, `de tevredenheid met het eigen bestaan is zeker geen oorspronkelijk bezit.' Geluk moet dus gewild, moet bevochten worden. Het middel hiertoe is de praktische rede. Het zelfdenken en als hoogste vorm de `consequente denkwijze' zijn de enige geneesmiddelen tegen een vervreemding van de mens. De filosofie is een gewapende toestand, zegt Kant. Door de praktijk van de oneindige rede ontstaat de vrijheid en de autonomie van de mens. Wat de mens mag hopen, bepaalt hij dus door zijn eigen wil, door zijn actieve rede.
Duits Idealisme
Het idealisme wordt in de tijd na Kant tot de heersende filosofie in Duitsland, het wordt ook wel Duits Idealisme genoemd.
Voor Kant betekent de idee datgene wat het kenvermogen van de mens te boven gaat, omdat dit niet uit de aanschouwing kan voortkomen, maar slechts als schijn wordt waargenomen en daarom transcendentaal (de grenzen van de ervaring te bovengaand) idealisme wordt genoemd. Deze inperking van de subjectiviteit van het kennen willen Fichte, Schelling en Hegel niet aanvaarden. Deze subjectiviteit komt bij hen tot uitdrukking in de idee die de mens van het Zijn bezit. De idee vormt daarmee de absolute grond van de eenheid van de wereld. Bij Fichte vormt de idee van het Ik, bij Schelling die van de natuur en bij Hegel die van de geest het absolute.
Tekst en inhoud door Jan-Willem Dijkshoorn
Layout door Theo van Klaveren
De auteurs zijn niet verantwoordelijk voor de inhoud van deze pagina's.
Commentaar over deze pagina's: E-mail naar Jan-Willem.