Louk Fleischhacker was al vroeg geïnteresseerd in fysica. Op jonge leeftijd bouwde hij reeds electronische apparaten en het lag dus voor de hand dat hij natuurkunde ging studeren. Al voor zijn kandidaatsexamen ontdekte hij de wiskunde en daarin studeerde hij uiteindelijk ook af, met als bijvakken logica en filosofie. Toen zijn promotor prof. H.B. Curry terugging naar Amerika, besloot Fleischhacker in de filosofie van het wiskundig denken te promoveren bij prof. J.H.A. Hollak. In 1969 kwam hij in Enschede terecht, om daar zijn ware passie te beoefenen: de fundamenten van het mathematisch denken. Ta! luisterde bijna twee uur lang geboeid naar een gedreven filosoof.
Ik heb in Amsterdam mathematische logica en gedeeltelijk fundamentele wiskunde gestudeerd. Nadat ik was afgestudeerd, heb ik een tijdje in het onderwijs gewerkt en later bij het Mathematisch Centrum. Ik wilde in de mathematische logica promoveren bij professor Curry. Ik was daar al een heel eind mee, toen Curry terugging naar Amerika. Op zich was het wel jammer dat mijn promotie niet door ging, maar ach, eigenlijk was het een hoop gepeuter en al met al kon ik het makkelijk opgeven. Aan Curry had ik trouwens niet zo veel, zijn commentaar ging meestal over de typografie. Het was wel een interessante hoogleraar, maar mijn interesses lagen toch elders. Na twee jaar gaf ik het op. Ik had natuurlijk wel door kunnen gaan, maar inmiddels was ik zo in de filosofie geïnteresseerd geraakt dat ik besloot in de filosofie te promoveren.
Ik ben bij Hollak in Amsterdam gepromoveerd en hem beschouw ik in zekere zin als een leermeester. Ik heb ook bij Oldewelt college gelopen. Dat was een echte Bergsoniaan, hij hechtte veel waarde aan onmiddellijke beleving. Je hebt ook de stroming die meer redenerend is, vergelijk het met het onderscheid tussen Alfa en Beta. Er zit een bepaalde spanning tussen die twee benaderingen die mij wel fascineert. Hollak wist die twee benaderingen met elkaar in overeenstemming te brengen. Hij liet mij zien dat het geen dilemma is: overal staan die aspecten van de werkelijkheid met elkaar in interactie. Hij denkt niet in een enkel perspectief, maar probeert alle perspectieven met elkaar in samenhang te brengen. Die manier van denken beviel mij wel, in zekere zin komt het neer op het betrekken van context: das Wahre ist das Ganze. Je komt niet tot de waarheid als je dingen buiten beschouwing laat.
In mijn onderzoeksgebied staat het mathematisch denken centraal. In mijn dissertatie probeerde ik een antwoord te vinden op de vraag: wat is dat mathematisch denken nu? Mijn recente werk gaat over de verhouding tussen mathematisch denken en andere vormen van denken, andere perspectieven. Hoe verhoudt het mathematisch denken zich tot het empirische denken? Dit is ook interessant in verband met informatietechnologie. Informatietechnologie is sterk gefundeerd in mathematisch denken. Anderzijds gaat het in zekere zin verder, want in een mathematische structuur gebeurt niets, maar in informatieverwerkende systemen gebeurt wel degelijk iets. Men zegt dat mathematisch denken abstraheert van kwaliteit en verandering, terwijl er in de informatietechnologie sprake is van een terugkeer naar die twee elementen. Immers, men beoogt een kwalitatief resultaat en wel door middel van een proces. De verhouding tussen mathematisch denken en informatietechnologie interesseert me sterk. Bovendien ben ik veel bezig met de filosofie van de techniek. Hollak zei daarover dat de informatietechnologie de fundamenteel laatste fase van de technische ontwikkeling is. Het meest fundamenteel technische principe wordt zo tot expliciet denkkader gemaakt van de techniek. Dat betekent ook dat de mensheid daardoor voor een nieuwe opdracht komt te staan: niet zozeer het verder ontwikkelen van de techniek, maar zien wat er voorbij de techniek is. Het relativeren van techniek is volgens mij een belangrijk onderwerp op een technische universiteit.
Anderzijds ben ik ook geïnteresseerd voor antropologische kwesties. Wat zijn de fundamentele vermogens van de mens? Wat is bijvoorbeeld liefde? Liefde heeft betrekking op de volle werkelijkheid van iets of iemand. Liefde is namelijk, volgens mij, de instemming met het feit dat iets of iemand bestaat. Dus dat heeft geen betrekking op een of andere eigenschap, maar op het zijn van de zaak zelf. Kwaliteit en kwantiteit zijn bijvoorbeeld eigenschappen van de werkelijkheid. Maar de volgende vraag is dan: wat is de werkelijkheid? Gaat de werkelijkheid vooraf aan zijn eigenschappen? Als dat zo is, wil dat dus zeggen dat je de werkelijkheid niet tot begrippen als kwaliteit of kwantiteit kunt reduceren. Je hebt iemand ook niet lief omdat hij die of die eigenschap heeft, maar...
In de praktijk toch wel?
Eigenschappen spelen wel een rol, in die zin dat eigenschappen van een persoon je wel of niet aanstaan. Maar dat is nog geen liefde. Dat komt pas als je met de persoon zelf in contact komt. Dus de weg erheen is niet het zelfde als het resultaat. Zo'n overweging kun je ook hebben ten aanzien van het verschil tussen theorie en praktijk. Als je iets kent, dan ken je wel allerlei eigenschappen van iets, maar je moet wel weten dat het eigenschappen van iets zijn. Je kunt ook uiteindelijk met de werkelijkheid van iets in contact komen. Taal bijvoorbeeld, heeft structuur, je kunt aan taal een structuur toekennen. Bovendien heeft taal een aantal kwaliteiten, maar in beide gevallen moet je dat niet verwarren met de zaak zelf. Want ook structuur beschrijf je met taal. Dus: eigenschappen van taal beschrijf je met taal. Wittgenstein zei al dat je niet buiten de taal kunt stappen.
Een filosofische benadering houdt in, tot het wezen van de zaak door te dringen. Essentieëel is het verenigen van alle mogelijke perspectieven. Alles is taal en alles is werkelijkheid. Onze hele wereld is doordrongen van taal. Het is dus heel moeilijk om uit te leggen wat taal precies is. Taal is eigenlijk de verwoording van de ervaringswereld. Dat is moeilijk, want die verwoording brengt de ervaringswereld in zekere zin tot stand. Je zou kunnen zeggen dat de ervaringswereld in zekere zin al gestructureerd is door taal. Taal berust op de eerste graad van abstractie, waarin je afziet van het individuele en de dingen onder een algemene noemer brengt. De ervaringswereld wordt in zekere zin tot stand gebracht door taal. Dat gebeurt in de context van de belevingswereld, de ervaringswereld is intersubjectief. De belevingswereld is niet intersubjectief. Neem het beroemde voorbeeld van de eskimo's met de 13 woorden voor sneeuw. Die hebben hun ervaringswereld anders gestalte gegeven dan wij. Of hun belevingswereld al dan niet anders is, die vraag kun je niet eens simpel stellen. Maar hun ervaringswereld is anders. Je weet bijvoorbeeld niet of ze een heleboel verschillende soorten sneeuw zien omdat ze er woorden voor hebben of dat ze er woorden voor hebben omdat ze die zien. Je weet niet wat eerder is. Is de wereld van een andere cultuur anders, omdat ze een andere taal en andere categorieën hebben, of is het andersom? Dat weet je niet. Het vormt zo'n eenheid. De theorie van Whorf zegt dat in de taal een metafysica is ingebouwd. Ik zou zeggen, geen metafysica, maar een fysica: een opvatting over een ervaren wereld, maar geen expliciete opvatting. Impliciet is in iedere taal een cultuur aanwezig. Een taal is daar een uitdrukking, maar ook de belichaming van. En als je vanuit een mathematisch gezichtspunt naar taal kijkt, zeg je dat taal de wereld structureert. Dan zie je taal als een structureel systeem dat als het ware een bepaalde indeling aan de wereld oplegt. Maar dan heb je al gedaan alsof het een willekeurig bedenksel is. En dat is het natuurlijk niet. Zo'n bedenksel is hooguit een reconstructie of zo, maar de taal is gegroeid met de levensvorm.
Ten aanzien van vertalen levert de gedachte van de reconstructie interessante gedachten op. Culturen zijn meestal niet zo disjunct als het vaak wordt voorgesteld. Er zijn bijvoorbeeld in Europa voorwerpen gevonden van voor 10.000 jaar voor Christus, die van materialen gemaakt waren die alleen maar in Azië voor kwamen. Er is altijd handel gedreven, er is altijd contact geweest. Dus ik geloof niet zo erg in die geïsoleerdheid van culturen. Het is veel eerder een continuüm. Ik heb ooit een lezing gehoord van een Turkse professor in de Musicologie en die liet ons horen dat dezelfde melodie steeds weer terugkomt, in muziek van Afghanistan tot Schotland. Als je van taal een formeel systeem maakt --als je zegt `het zit zo en zo in elkaar', zoals in een mathematische theorie-- en je verandert de regels van het systeem, dan heb je een totaal ander systeem. Het idee van vertalen gaat al uit van een discrete veelheid van talen, van een mathematisch model van wat een taal is. En als je nou dat model houdt voor de werkelijkheid en dus inderdaad denkt dat die verschillende culturen niets met elkaar te maken hebben, moet je tot de conclusie komen dat vertalen onmogelijk is. Dat was ook de fout van Wittgenstein: die zei dat er verschillende taalspelen waren. Daarmee suggereerde hij ook dat het een discrete veelheid is. En dat is de werkelijkheid natuurlijk niet. Het is slechts een theorie, een manier waarop we er tegenaan kijken.
Voor een taal is geen juiste mathematische beschrijving voorhanden?
Nee, net zo min als er voor de natuur geen volkomen juiste mathematische beschrijving is. Een mathematische beschrijving is een reconstructie. En die kan een bepaald praktisch of theoretisch doel dienen. Je kunt er een bepaalde vraag mee oplossen. Maar je moet natuurlijk niet de reconstructie met het gereconstrueerde verwarren.
Culturen zijn dus niet zo disjunct als het lijkt, ook al zijn er toch opvallende verschillen zoals bijvoorbeeld het opdelen van het kleurenspectrum, dat bij verschillende culturen op een verschillende manier gebeurt. Maar aan de andere kant zit daar al zoveel gemeenschappelijks onder! Dat er al kleuren zijn, dat kleuren onderscheiden kunnen worden, dat het spectrum een continuüm is etcetera. Dat is al een gemeenschappelijk gegeven. Naar alle waarschijnlijkheid is de hele mensheid ontstaan uit een klein groepje ergens in Afrika, dus zo gek is het niet dat er een heleboel algemeen menselijks is. Dat we elkaar onmiddellijk kunnen verstaan, dat hoeft niet persé biologisch verankerd te zijn. Dat kan net zo goed in het ontstaan van de menselijke cultuur verankerd zijn. Onze vertaalproblemen zijn dus lang niet zo problematisch als die tussen disjunct ontwikkelde beschavingen, zoals bijvoorbeeld tussen een aardse taal en een buitenaardse taal. Dan zouden er pas serieuze problemen ontstaan!
De begrippen syntaxis, semantiek en pragmatiek horen in mijn opvatting thuis in een bepaald soort reconstructie. Ze komen uit de mathematische logica. Het idee is blijkbaar opgekomen dat, als je op een mathematische manier wilt redeneren, logica wilt ontwikkelen, je moet beginnen met de uiterlijke vorm, met datgene wat later syntaxis is geworden, omdat je daar het duidelijkst een structuur in kunt zien. Het hele idee van syntaxis is dat je de uiterlijke vorm van taal reconstrueert. Als je daar dan een tijdje mee bezig bent --en in de mathematische logica is dat zo gegaan-- ontdek je door schade en schande dat die uiterlijke vorm niet genoeg is. De mathematische logica kon dat natuurlijk heel elegant met de Gödel-stellingen aantonen. Je kunt bewijzen dat je met behulp van syntaxis het mathematisch denken niet kunt funderen, want de syntaxis veronderstelt al mathematisch denken! Syntaxis is een mathematische reconstructie van de uiterlijke structuur. Als je die structuur wilt construeren, moet je al mathematisch kunnen denken. Je kunt ook bewijzen dat de reconstructie goed is, dat de reconstructie van het mathematisch denken in overeenstemming is met het denken dat je gebruikt als je die reconstructie maakt. Maar in het verlengde daarvan kun je ook bewijzen dat de reconstructie nooit het volledige origineel omvat. Omdat je immers het origineel gebruikt om de reconstructie te maken en door de abstractheid daarvan heb je dus blijkbaar de greep op de zinvolheid van de reconstructie verloren. Die zinvolheid kun je niet vanuit de reconstructie bewijzen. Daar berust immers de hele zaak op. Dus als je een wiskundige theorie gaat bedenken en meent dat die zinvol is, zou dat tot uitdrukking moeten komen in de consistentie van de geformaliseerde theorie. Maar die consistentie kun je dan niet meer vanuit je geformaliseerde theorie bewijzen, want je hebt de zinvolheid van het origineel al aangenomen.
Je hebt dus aangetoond dat syntaxis ontoereikend is. Dat is logisch, want je hebt van iets geabstraheerd. Je hebt van de oorspronkelijke betekenis van de symbolen geabstraheerd. En iets waarvan je geabstraheerd hebt, krijg je niet zomaar terug. Je kunt niet binnen de abstractie datgene terugkrijgen waarvan je geabstraheerd hebt. Als je ervan geabstraheerd hebt en je hebt het blijkbaar toch weer nodig, moet je het er weer aan toevoegen, zo dacht men. Toen kwam het begrip semantiek om de hoek kijken. Semantiek is dus eigenlijk datgene wat je kunstmatig toevoegt wanneer je geabstraheerd hebt van de betekenis. En dat is natuurlijk een valkuil, want langzamerhand is men het gaan vereenzelvigen met de oorspronkelijke betekenis! In de mathematische logica kun je bewijzen dat je de oorspronkelijke betekenis niet in de gereconstrueerde betekenis kan definiëren. Dus syntaxis en semantiek zijn als het ware kenmerken van een reconstructie. Natuurlijk ontdekte men dat de kunstmatig toegevoegde betekenis niet klopte met de oorspronkelijke betekenis. Blijkbaar was er nog niet genoeg. Er moest nog iets aan worden toegevoegd. En toen herinnerde men zich Peirce, die het ook nog had gehad over pragmatiek, en bedacht men dat pragmatiek de ontbrekende schakel was.
Dus eigenlijk is het allemaal achteraf proberen de reconstructie in orde te krijgen. Dat is natuurlijk nuttig voor zoiets als computerlinguïstiek. Daar ben je aangewezen op een reconstructie. Maar of je werkelijk iets leert over wat taal is, dat betwijfel ik ten zeerste. Een reconstructie kan je wel iets leren over taal, maar misschien heb je door je reconstructie wel geabstraheerd van wat nu juist het wezenlijke is. De begrippen syntaxis, semantiek en pragmatiek zijn kenmerken van een bepaalde reconstructie. Die reconstructie is arbitrair, die had er net zo goed anders uit kunnen zien. Maar het meest wezenlijke is niet dat die reconstructie er eventueel anders uit had kunnen zien, maar dat die reconstructie een reconstructie is en niet het origineel. Het gaat eigenlijk om een beperkt aantal eigenschappen van taal en dan voornamelijk om structurele eigenschappen. Zolang je in dat mathematische perspectief bent, zie je overal structuur. Je kijkt door een bril die alleen maar structuur ziet. Dit soort problemen komt tot uiting in die hele discussie over het analyticiteitsbeginsel. Kun je de betekenis van een zin samenstellen uit die van de delen? Meestal niet, want je moet de context weten. Maar hoe groot is die context dan? De context is eigenlijk het hele universum. Dat is een gevolg van het feit dat je al geabstraheerd hebt van die context. Je weet dan niet meer wat relevant is.
Ik kan me niet voorstellen wat men bedoelt met de vraag of computers het intelligentieniveau van mensen kunnen benaderen. Of een computer is een zelfstandig instrument --het is datgene dat het is, omdat wij het als zodanig gebruiken-- of het zou uit zichzelf intelligent moeten zijn. Maar spreken die gedachten elkaar niet tegen? Want enerzijds zeggen we dat het een technisch apparaat is, dat alleen maar functioneert zoals het functioneert krachtens het feit dat wij het zo gebruiken. En anderzijds zeg je dat het helemaal buiten die technische context ook nog intelligent moet zijn. Is dat niet een tegenstrijdige eis? Je kunt niet onder bepaalde condities een vraag stellen die alleen zin heeft als die condities niet vervuld zijn. Onder de conditie dat een computer een technisch produkt is, kun je niet zinvol de vraag stellen of hij net zo intelligent is als de mens.
Taalgebruik veronderstelt een zekere mate van originaliteit en zolang je dat vanuit het gezichtspunt van de mens bekijkt, heeft de mens zichzelf al die originaliteit toegekend. Natuurlijk kun je die objectiveren door middel van informatietechnologie. Metaforisch is dat ding intelligent en hij gebruikt taal. Maar hij gebruikt taal niet in de zin waarin wij taal gebruiken, maar in een afgeleide zin. De werking van informatieverwerkende systemen is een afgeleide van het menselijk functioneren. Het is iets dat een zekere functie heeft in de menselijke praktijk. Ik kan een eenvoudig computermenu ervaren als een vorm van taal. Maar de `is it really-kwestie' is dan: `wat bedoel je daar eigenlijk mee?' Wordt er tussen een eenvoudig computermenu en een verfijnd computerlinguïstisch programma op een gegeven moment een grens overschreden, waarna je kunt zeggen dat er dan sprake is van taalgebruik? Ik zeg: er wordt geen grens bereikt! Het blijft wat het is: iets dat door de mens gebruikt wordt om bepaalde functies van zichzelf te objectiveren.
Wat vindt u van de gedachte om met een computer de menselijke geest te simuleren?
Als je wilt weten wat de menselijke geest is, dan kun je veronderstellen dat de menselijke geest bepaald is door een structuur. Je zult dan echter tot de conclusie moeten komen dat de menselijke geest wat betreft structuur beperkt moet zijn. Omdat hij al zelf door een structuur bepaald is. Als hij volledig bepaald is door een structuur, dan kan hij zichzelf niet doelbewust nabouwen. Dat geldt zelfs voor de zichzelf reproducerende automaat van von Neumann. Die veronderstelt fysische processen die wij kennen voor we het ding kunnen gaan bouwen. De machine kent die processen echter niet zoals wij ze kennen. Hij kan `zichzelf reproduceren,' maar hij weet niet dat hij dat doet. Het proces is meer dan de structuur alleen en het weten van het proces is meer dan reconstructie. Wanneer je het puur mathematische uitgangspunt verlaat, en veronderstelt dat de menselijke geest niet door een structuur bepaald kan zijn, dan zou hij iets onstructureels kunnen zijn, wat alles kan omvatten. Dan kom je bij Descartes terecht. Maar als de menselijke geest iets onstructureels is, kun je hem niet nabouwen! Dan is er niets aan te bouwen. Men zegt wel eens dat de menselijke geest zo gecompliceerd is, nu, ik denk niet dat dat het probleem is. Het probleem is dat de menselijke geest zo enkelvoudig is. En daarmee bedoel ik: niet te begrijpen vanuit een veelheid van samenstellende delen. De menselijke geest zit niet in elkaar! En daar kunnen we vanuit technisch oogpunt ook niets mee beginnen.
Vindt u het niet moeilijk uw standpunten in een vreemde taal te moeten opschrijven, terwijl het juist in de filosofie belangrijk is dingen zeer precies te verwoorden?
Ja, in een andere taal wordt het anders. Ik heb zelfs lange tijd gedacht dat het onmogelijk was om in de Engelse taal te filosoferen. Maar ik heb pas een boek in het Engels geschreven en het valt eigenlijk wel mee. Het kan wel. Ik heb bij mijn dissertatie een samenvatting laten maken in het Frans, Duits en Engels. En het merkwaardige is dat je denkt, wanneer je de Engelse samenvatting leest: wat zegt die man allemaal? Als je de Duitse samenvatting leest, denk je dat het allemaal klopt. Met andere woorden: het zelfde verhaal geeft een heel andere sfeer. En misschien komt dat wel omdat het Duits een uitgebreidere filosofische traditie kent, waardoor de filosofische woordenschat wat groter is. En ook flexibeler in woordvorming. Er ontstaat een kleurverschil, maar in elke taal is wel alles uit te drukken. Je kunt je afvragen of er niet een algemene wetenschapstaal zou moeten zijn. Er is ooit zo'n taal geweest: het middeleeuws Latijn. De logicus Carnap heeft wel eens voorgesteld het Latijn weer in te voeren als wetenschapstaal. Met betrekking tot de filosofie lijkt me dat best realiseerbaar, alhoewel het in de praktijk niet zo snel zal gebeuren. Maar ja, het Engels kan het eigenlijk net zo goed. Nu pas ontstaat zoiets als een wereldcultuur, dus wellicht is nu het moment daarvoor meer geschikt.
Ik hoop nog een jaartje of acht onderwijs te geven. Ik hoef niet zo nodig meer carrière te maken of een leerstoel te vinden. Ik geef graag onderwijs en vind het leuk om onderwijs en onderzoek aan elkaar te relateren. Ik vind dat de zin van het leven het participeren aan het leven zelf is. Je leeft, fysiek, dus daar moet je ook aan participeren. Je moet er iets mee doen. Maar je maakt ook deel uit van een cultuur. En als filosoof maak je deel uit van het denken van de mensheid. Je hoeft daar geen onsterfelijkheid in te verwerven, zoals Aristoteles, maar dat je er aan kan deelnemen maakt het leven al heel waardevol.
Tekst en inhoud door Erik Oltmans
Layout door Theo van Klaveren
De auteurs zijn niet verantwoordelijk voor de inhoud van deze pagina's.
Commentaar over deze pagina's: E-mail naar Jan-Willem.